Driekwart van de Nederlanders wil voor zijn 65ste jaar met pensioen. In de praktijk gaat echter maar 54% daadwerkelijk voor zijn 65ste met pensioen, zo blijkt uit onderzoek van verzekeringsmaatschappij AXA. Droom en werkelijkheid komen hier dus niet overeen. Als u uw droom om eerder te stoppen wel wilt realiseren, dan moet u op tijd financiële voorzieningen treffen.
Om maatregelen te kunnen nemen, moet u eerst voor uzelf een aantal vragen beantwoorden. Want de omvang van de voorzieningen hangt af van verschillende factoren. Enkele overwegingen:
In het verleden zijn veel mensen vervroegd met pensioen gegaan dankzij een VUT-regeling (Vervroegde Uittreding). Dit is een sociale regeling die geregeld is in de CAO. Bij de VUT betalen werknemers via de loonkosten mee aan de uitkering van mensen die met de VUT zijn. Nu steeds meer mensen met de VUT zijn, is deze regeling te duur geworden. Daarom worden VUT-regelingen vervangen door prepensioenregelingen. In 2009 moeten alle regelingen zijn omgezet.
Bij de VUT kunt u vanaf 60 jaar uittreden. De hoogte van de uitkering ligt tussen de 75 en 90% van het laatstverdiende loon.
Met een prepensioenregeling, ook wel flexibel pensioen of flexpensioen genoemd, kunt u uw pensioen eerder laten ingaan. Hoe eerder u stopt, hoe lager uw pensioenuitkering. U draagt immers minder jaren premie af. Ook moet het pensioenfonds het pensioen langer uitkeren en loopt het een paar jaar rendement van uw vermogen mis. Een vuistregel is dat ieder jaar dat u voor uw 65ste jaar stopt, u ongeveer 7 à 8% aan pensioen inlevert.
U moet zelf sparen voor uw prepensioen. De hoogte van de uitkering hangt af van de regeling, de leeftijd waarop u er gebruik van maakt en het aantal opbouwjaren.
Als u geen gebruik kan maken van een VUT-regeling of prepensioen, zult u zelf de overbruggingsjaren moeten financieren. Ook als u uw (pre)pensioenuitkering wilt aanvullen, moet u zelf voorzieningen treffen. U hebt hiervoor verschillende mogelijkheden: